(uit het Voorwoord.)
Ik hou van beelden.
Mijn kijken ben ik gaan wantrouwen. Ik doe het veel te snel en veel te kort. In een oogopslag zie ik waar de maker soms maanden of jaren mee bezig is geweest. Vaak laat ik me afleiden door teksten die het beeld begeleiden. Hoe het beeld heet bijvoorbeeld, of wie het gemaakt heeft, en wanneer. Meestal heb ik daar niets aan. “Oh ja”, denk ik dan, en vervolg mijn weg.
Wat je het eerst ziet.
Een klein mannetje. Onder de terugwijkende kin een vlassige sik, boven de brede platte neus geloken ogen, daarboven een ronde kachelpijp. Totaal in zichzelf gekeerd. Onvoorwaardelijk in zichzelf teruggetrokken, niets in dit leven zal hem nog verrassen, hij weet zijn plaats. Hij is niet sentimenteel maar berustend. Iemand heeft hem tegen zijn zin hier in de volle zon geplaatst. Hij is onderdanig. Het hoofd schuw naar beneden getrokken, laag voor de schouders, bang en nederig. Groot boek onder de linkerarm, rechts in de hand een nauwelijks bijeengebonden paraplu, als steun. En aan de voet, angstig verstopt en tegelijk nieuwsgierig, een rattig hondje. Een meelijwekkend figuur. Geen spoor van humor in dit beeld.
Plaats reactie