Carel Vissers Jacobsladder in de museumtuin van het Rijksmuseum.
Jacobsladder, Carel Visser, 1954 en Mercurius, Ferdinand Leenhoff, 1898;
beide beelden oorspronkelijk Nederlands
Als er een Nederlandse beeldhouwer is, die zich altijd weer wist te vernieuwen, dan is het Carel Visser. Carel Blotkamp, collega beeldhouwer én hoogleraar, die een beroemde oeuvrecatalogus over hem schreef, zegt over die altijd doorgaande vernieuwing: “alles moest onderzocht worden”. (Blotkamp, Carel (1989 ) Carel Visser Uitg: Veen/Reflex p.87”).
Eerdere auteurs over Carel Visser waren Cor Blok en Hans Locher. Door deze alle drie sterk beïnvloed noem ik Carel Visser altijd nog als één van de drie grote naoorlogse, Europese beeldhouwers: Eduardo Chillida, Sir Anthony Caro, Carel Visser. Niet om chauvinistisch te zijn. Nederland was in die tijd, van laten we zeggen 1950-1980 een fantastisch beeldhouwland. Het was een groots tijdperk van niet-figuratieve, niet nabootsende kunst. Daarin nam Carel Visser een bijzondere plaats in, door zijn fascinatie voor het leven van planten, dieren en natuurlijke landschappen. Daaruit haalde hij altijd zijn inspiratie. Met een geweldig gevoel voor ritme, harmonie, details en het geheel.
Op de foto staat zijn Jacobsladder uit 1954. 72 jaar oud. Een oude vriend, vergeleken met de jonge Mercurius, die vanaf zijn sokkel naar hem zit te kijken, met enige verbazing, ook al heeft hij intussen heel wat rare beelden zien komen en gaan, hier in de museumtuinen van het Rijksmuseum. Terwijl ik het beeld fotografeer in het natte tegenlicht van een overtrekkende onweersbui, hoor ik hem vragen aan mij, met een diep bronzen stemgeluid: “Signore, dica, cos'è quella cosa?” ( Zeg, meneer, vertel mij, wat is dat voor een ding?) En voor het eerst zit ik om een antwoord verlegen.
Want wat is het eigenlijk precies voor een ding , als je ons eigen tijdperk van nu beschouwt, een tijd van ‘verbinding’ en ‘verhalen’. En hoe kun je het uitleggen aan de Romeinse godheid van de handel, de reizigers en de winst, ofwel de ‘mercator’, zo typerend voor Amsterdam. Ik zou mezelf niet zijn, als ik het niet zou proberen.
“Wel Mercurius, laat ik jou eerst eens vragen: ken jij Jacob?”
“Nee! Wat is Jacob voor iets?”
“Jacob is een oude mythologische figuur, die naar de hemel wilde klimmen.”
Zijn lach klinkt als een klok maar wordt overstemd door de langsrijdende tram.
“Aha, een van die stommelingen zoals Bellerophon op het paard Pegasus.”
“Ja, ongeveer, niet precies, maar in essentie wel. Alleen gebruikte Jacob geen gevleugeld paard, maar een ladder.”
Nu proest hij het uit.
“Ha,ha, ha, ha. Dus hij wist niet eens hoe hoog de Olympus was.”
Ik sta er een beetje beteuterd bij en wacht tot hij tot bedaren is gekomen.
“Nou, Merkuur, dat wist hij dus wél. En in ieder geval wist de kunstenaar die dit beeld heeft gemaakt, het wel. Maar dat wordt een beetje een ingewikkeld verhaal.
“Ja, en nu weet ik nog steeds niet wat dit voor een ding is.”
“Het is de ladder van Jacob.”
“Hou me niet voor de gek!”
“Denk even met me mee. Wat is er buitengewoon slim aan deze ladder?”
“Zeg jij het maar. Ik hou niet van raadseltjes en al helemaal niet als ze me niets opleveren.
“Een gewone ladder staat schuin en leunt met zijn bovenkant tegen een gevel, toch?”
“Dat is waar.”
“Maar als je geen gevel hebt of geen Olympus om hem tegen aan te zetten, wat is dan de oplossing?”
“Geen idee”
“Wel eens van een wenteltrap gehoord, Merkuur?”
“Oh, je bedoelt zo’n trap als in een toren!”
“Ja precies, maar deze heeft geen toren, hij staat gewoon los buiten, onder de blote hemel.”
Ik weet zelf niet precies hoe ik hierop kwam, maar het hielp wel. Want wat ik mij nu pas voor het eerst realiseer, is dat deze Jacobsladder niet omvalt. Hij bestaat uit acht delen, elk deel is een meter hoog. Neem een buis van 1 meter en zaag die van boven naar beneden door, dan heb je twee delen. Zet een deel op de grond en het tweede deel boven op het eerste, en wel zo dat hij voor de helft op de onderste rust. Zo stapel je een kwart cirkel op een kwart cirkel. Samen vormen ze nu een halve cirkel. Na vier segmenten op elkaar is de cirkel rond. De onderste opening wijst naar het noorden. De vierde opening wijst naar het westen. Begin op de vierde een nieuwe serie van vier en de bovenste wijst naar het zuiden. En zo kun je een eeuwigheid doorgaan, net zo hoog of hoger als de eindeloze zuil van Brancusi.
“Ja hoor, heel slim. Dat zie ik ook wel. Waarom heet het dan ladder en niet zuil of zoiets?”
“Omdat het een vast ritme is, net zoals de treden van een ladder of een trap altijd even grote tussenruimtes overspannen.”
“Fijn, ik vind er niks aan, zo saai.”
“Merkuur, voel je dan niet dat deze ladder twee dingen tegelijk is: een zuil én een trap. En dat je een bijzonder gevoel van beschutting krijgt wanneer je de tijd neemt om je even ín deze ladder te verplaatsen?”
“Zweverig type ben je, en dat in het decennium van de AI”
“Kom, laten we ons even inbeelden dat we er onder in gaan staan. Met onze buik naar de halve cirkel toe. En nu tillen wij ons hoofd achterover omhoog, zó dat we hoog boven ons de hemel zien. Zie je de wolken drijven?”
“Nou, daar is niet veel fantasie voor nodig. Haha, ze vlieden over ons heen, ja hoor.”
“Goed van je, Merkuur. En nu zie je zeker ook dat de wereld om je heen verdwijnt samen met de tijd. Voel jij dat ook, Merkuurtje van me?”
“Ach man, hoe kan dat nou, ik zit hier vast op mijn sokkel en jij zweeft. Ze moesten het onderste deel dichtzetten met jou erin, je bent een gevaar voor de wereld met je praatjes.”
Ik houd mijn mond want zie aan zijn gezicht dat hij opstandig wordt. En met zo’n gespierd onkwetsbaar lijf als het zijne, wordt het moeizaam knokken, als hij echt boos wordt. Laat ik vooral de wijste zijn.
“Wat ben je opeens stil, meneertje?”
“Ach Merkuur, Jij hebt het over AI en ik heb het over Waarnemen. Mijn grote voorbeelden zijn de Duitse filosoof Hans-Georg Gadamer en de Franse filosoof Merleau-Ponty. De eerste om zijn betoog dat Hermeneutiek geen natuurkunde is en de tweede omdat hij schrijft dat wij moeten terugkeren naar de wereld en niet naar een zogenaamd (zie Gadamer) wetenschappelijke beschrijving.
Natuurlijk praat ik over de zuivere vorm, niet om iets te bewijzen, maar om op te roepen wat die met mij doet. Wat deze trapachtige kolom met mij doet heb ik je net verteld. Hij brengt mij terug in de wereld.”
“Oh ja, en hoe noemen jullie dan zo’n Pythagoras die deze bijna natuurkundig wetenschappelijke zuil maakte?”
“Die noemen wij ‘Kunstenaar’. Iemand die ons terugbrengt in de wereld.”
“Zo, heel mooi bedacht, meneertje. En wat doet dan een figuur als ik, een goddelijk mensbeeld, nota bene, met jou?”
“Die brengt mij naar een andere tijd. Een tijd van volmaaktheid en goddelijke erotiek, die niet echt bestaat en nooit echt bestaan heeft. Niet naar de wereld, maar naar de fantasie van literatuur en verhalen. Maar weet je wat? Ik vind dat wij best goed met elkaar kunnen praten. Wij hebben een klik, vind je ook niet? Zullen we afspreken dat ik nog eens terugkom om met jou over jouw eigen tijd te praten?”
“Wat jij wil”.
“Ja, ik ben eerlijk. Dit is een museumtuin. Het museum waar jij thuishoort omdat het dingen bewaart uit de wereld van jouw tijd. Je kunt je afvragen of deze kolom hier wel hoort. Maar voor wie jong is en praat over verbinding en verhaal, hoort hij vast wel thuis in een museum. Ook al is het nog geen eeuw geleden gemaakt. En nu ga ik naar huis, want ik heb honger, ben nat geworden en koud. Ciao, amico. Stai bene.”
“Ciao piccolo signore. Arrivederci.”
Ladder
Prachtige dialoog JeroenLadder
Ha Carla, dank je wel. Ik vind het erg leuk om zulke dialogen te schrijven. Het geeft de lezer lekker veel ruimte.Abonneren
Rapporteer
Mijn reacties